Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Rozenstraat e/o in Leerdam; herstructurering woonstraat
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0545.BPRozenstreoLRD-OW01

Toelichting

1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
In Leerdam West wordt al een aantal jaren aan de herstructurering van de wijk gewerkt. Binnen het project Rozen-/Tulp-/Dahliastraat worden de bestaande woningen gesloopt en vervangen door circa 36 grotere grondgebonden woningen.
In het vigerende bestemmingsplan ‘Leerdam West’ hebben de bestaande woningen een woonbestemming. De nieuwe beoogde woningen vallen niet binnen de bouwvlakken van deze bestemming en zijn op basis van dit bestemmingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is navolgend bestemmingsplan opgesteld.
 
1.2 Ligging
Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Leerdam. Het plangebied bestaat uit de Rozen-, Tulp- en Dahliastraat.
 
Globale begrenzing plangebied (witte cirkel)
 
In de navolgende afbeelding is de begrenzing van de ontwikkeling weergegeven.
   
Planbegrenzing
1.3 Geldend bestemmingsplan
Op het plangebied is het bestemmingsplan 'Leerdam West' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 30 augustus 2012 door de raad van de gemeente Leerdam vastgesteld. De volgende afbeelding toont de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
 
Verbeelding bestemmingsplan Leerdam West (plangebied aangegeven met rode contour)
 
Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen:
  • 'Groen';
  • 'Verkeer - Verblijfsgebied'
  • 'Wonen', met bouwvlak;
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'
  • Bouwaanduiding 'Aaneengebouwd'
  • Maatvoering
  • Gebiedsaanduiding 'Geluidzone - Industrie'.
De bijbehorende bestemmingsregels omvatten programmatische en inrichtingsaspecten en er dient aan een aantal milieueisen te worden voldaan. Daarnaast is ook een aantal algemene bouwregels opgenomen.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
2 Planbeschrijving
 
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit de Rozen-, Tulp- en Dahliastraat, en in gelegen in het zuidwesten van Leerdam. De woningen bevinden zich ten zuiden van een begraafplaats. De overige zijden van het plangebied zijn begrensd door woningen.
 
Het plangebied betreft 3 straten met verouderde rijtjeswoningen waarin asbest is verwerkt. Het gebied kent een parkeerproblematiek en wateroverlast van grondwater. Op bijgevoegde foto's is een gedeelte van de straten van het plangebied weergegeven.
    
Rozenstraat
 
Tulpstraat
 
Dahliastraat
  
2.2 Toekomstige situatie
Onderhavig plan betreft de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 36 woningen. Het plan maakt deel uit van een herontwikkeling van de gehele wijk. Met de herontwikkeling van de wijk wordt de woningvoorraad aangepast op de wensen van de huidige markt. Met onderhavig plan worden meer woningen gesloopt dan gebouwd. Hierdoor neemt het aantal woningen in het plangebied af. Voorliggend plan betreft vervangende nieuwbouw: de realisatie van 21 eengezins- en 15 seniorenwoningen. Op navolgende afbeeldingen en bijlagen bij toelichting bijlage 4 is een impressie weergegeven van de toekomstige situatie van het plangebied.
   
Impressie toekomstige situatie, plangebied rood omcirkeld 
  
 
Toekomstige situatie plangebied
 
Doorsnede noordelijk deel Rozenstraat
 
Duurzaamheid
Met de herontwikkeling van het plangebied wordt ook ingezet op duurzaamheid. De vervangende nieuwbouw woningen voldoen qua isolatie aan de wettelijke eisen van energieprestatie. Op de daken van de woningen worden tijdens de bouw al zonnepanelen geïnstalleerd. Daarnaast neemt het aantal groenvoorzieningen in het plangebied en nieuwbouwontwikkelingen in de directe omgeving toe, wat positieve effecten heeft voor de hittestress. Door de toename van het aantal groenvoorzieningen in de wijk kan het hemelwater goed infiltreren in de grond. Ook de wegen krijgen om deze reden geen asfalt maar een klinkerverharding.
  
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
 
In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
 
In het Barro worden, na de aanvulling van 1 oktober 2012, vijftien onderwerpen beschreven: mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, waddenzee en waddengebied, defensie, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, rijksvaarwegen, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het plan bevat de sloop van 56 bestaande woningen in het plangebied en de vervangende nieuwbouw van 36 woningen. Per saldo neemt het aantal woningen in het plangebied af. Hiermee kan de motivering waarom er niet gekeken hoeft te worden naar een alternatieve locatie binnen het bestaand stedelijk gebied achterwege blijven.
 
De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. In toelichting paragraaf 3.2.2 wordt hierop nader ingegaan.
3.2 Provinciaal beleid
Provincie Zuid-Holland heeft voor haar ruimtelijke visie de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte 2014 en het Programma Ruimte vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in de Verordening.
 
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 14 december 2016 de actualisering 2016 van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. Op 12 januari 2017 is deze in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. 
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 36 vervangende nieuwbouw woningen binnen Leerdam. Omdat het plangebied in het geldende bestemmingsplan 'Leerdam West' reeds een stedelijke bestemming heeft kan het plangebied als bestaand stedelijk gebied worden gezien. De realisatie van woningen in het plangebied is daarmee in lijn met de visie om de bebouwde ruimte beter te benutten.
    
3.2.2 Verordening Ruimte 2014
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 12 januari 2017 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
   
Planspecifiek
Vanuit de Verordening Ruimte zijn de onderwerken 'Ladder voor duurzame verstedelijking' en 'Ruimtelijke kwaliteit' van belang. Op deze onderwerpen wordt in navolgende tekst nader ingegaan.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 2.1.1 lid 1 van de Verordening Ruimte stelt dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
  1. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  2. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, en
    3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.
Voorliggende onderbouwing ziet op de sloop van alle bestaande (sterk verouderende) woningen in het plangebied en de realisatie van 36 vervangende nieuwbouw woningen. Het geldende bestemmingsplan 'Leerdam West' dat op 16 juni 2010 is vastgesteld biedt de mogelijkheid om dit aantal realiseren. Enkel passen de geplande woningen niet in de bestaande bouwvlakken van het bestemmingsplan. Per saldo neemt het aantal woningen in het plangebied af, waardoor geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
 
Ruimtelijke kwaliteit
Met betrekking tot het aspect ruimtelijke kwaliteit stelt de provincie dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen de aard en/of schaal van het gebied (inpassing). Daarbij moet in de bebouwde ruimte rekening worden gehouden met gebieden met bijzondere en/of topkwaliteit die extra bescherming behoeven. Dit zijn plekken met een bijzondere cultuurhistorische waarde zoals cultuurhistorische kroonjuwelen, molenbiotopen en ander cultureel erfgoed. Ook contrasten aan stads- en dorpsranden kunnen bijzondere ruimtelijke kwaliteiten bevatten. Het plangebied bevat geen van deze bijzondere ruimtelijke kwaliteiten.
 
Behalve dat ruimtelijke ontwikkelingen passend zijn in het gebied moet tevens worden voldaan aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. De Kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Voor alle vier de lagen zijn kenmerken benoemd en uitgewerkt in richtpunten. Voor het plangebied is met name de stedelijke occupatie relevant. Op deze kaartlaag ligt het plangebied in een 'steden en dorpen'. Richtpunt voor dit gebied is dat ontwikkelingen onder andere bijdragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
 
De ruimtelijke opzet van de wijk blijft ongewijzigd. De karakteristiek van de woningen sluit aan bij de kenmerken en identiteit van Leerdam. Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat er geen richtpunten worden aangetast en dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo minimaal gelijk blijft.
 
3.2.3 Woonvisie 2011-2020
Op 12 oktober 2011 hebben Provinciale Staten de Woonvisie 2011-2020 vastgesteld. Samengevat is daarin het volgende opgenomen.
 
De provincie vindt dat iedereen in Zuid-Holland moet kunnen beschikken over een passende woning in een passend woonmilieu, nu en in de toekomst. Op dit moment staat er in het algemeen druk op de woningmarkt, terwijl er ook gebieden zijn met een ontspannen of zelfs krimpende woningmarkt. De omvang en de kwaliteit van de woningvoorraad is niet in balans. Daarvoor moet de bestaande voorraad kwalitatief verbeteren, vraag en aanbod van woonmilieus beter op elkaar worden afgestemd en meer binnenstedelijk worden gebouwd. Herijking van het nieuwbouw- en herstructureringsprogramma is nodig om in 2020 de gewenste voorraad te hebben.
 
De Woonvisie 2011-2020 is mede gebaseerd op een evaluatie van bestaand beleid en een analyse van de werking van de huidige woningmarkt. De provincie constateert het volgende:
  • De crisis heeft de woningmarkt voor een groot gedeelte veranderd van een aanbod- in een vraagmarkt. Dat geldt echter niet voor iedereen. Mensen met een inkomen net boven modaal worden ernstig beperkt in hun mogelijkheden een passende woning te vinden: sociaal huren is niet meer mogelijk en er zijn voor hen geen betaalbare koopwoningen beschikbaar.
  • Het afgesproken woningbouwprogramma voldoet niet meer. Er zijn meer nieuwbouwwoningen gepland dan nodig, onder meer omdat er minder woningen worden gesloopt dan verwacht. Dat vraagt om nieuwe prioriteiten in de uitvoering.
  • De kwaliteit van de huidige voorraad kan beter. Deze verbetering is gewenst voor de woning zelf (zoals weinig energieverbruik) en voor de woonomgeving (zoals het gewenste woonmilieu).
  • Alle partijen op de woningmarkt zijn terughoudend, waardoor weinig risico's worden genomen en er niet veel van de grond komt. Er is behoefte aan samenwerkingsvormen waarin partijen met elkaar de voorwaarden voor uitvoering scheppen op basis van vertrouwen. 
Planspecifiek
Met onderhavig plan worden alle 56 woningen in het plangebied gesloopt en 36 vervangende nieuwbouw woningen gerealiseerd. Per saldo neemt het aantal woningen af. Daarnaast is de kwaliteit van de nieuwe woningen beter en zijn ze energiezuinig. Verdere toetsing aan de Woonvisie is daarmee niet nodig.
 
3.2.4 Regionale Woonvisie Alblasserwaard - Vijfheerenlanden 2013
Deel I van de regionale woonvisie schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het 'wie en waar' van het wonen in de regio. In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: 'wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?'
 
Wensbeeld 2020
De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Bijzonder, omdat het steden als Gorinchem en Leerdam met voorzieningen en vitale woonmilieus combineert met landelijke, rustige woonmilieus waar vooral traditionele groepen wonen. Dat is een unieke combinatie voor een woongebied op de grens met de Randstad. De Regio levert woonkwaliteit die zorgt voor binding van de eigen inwoners en aantrekken van mensen van buitenaf. Bewoners profiteren van de economische dynamiek van de Randstad en de Brabantse stedenrij (de route naar het Duitse achterland) terwijl het gebied zelf in de luwte daarvan ligt.
 
De meeste bewoners van de regio blijven hun kern, gemeente of de regio trouw en uitstroom van stedelijk georiënteerde groepen is beperkt. Dat lukt onder meer door goede samenwerking op het gebied van wonen. Die samenwerking is in een stroomversnelling gekomen, met als ankerpunt de regionale woonvisie van 2013. De visie helpt gemeenten om te doen waar ze sterk in zijn, en aan buurgemeenten over te laten waar zij sterk in zijn. Oog voor de onderlinge verschillen en kansen zorgt voor meerwaarde. Het resultaat is meer dan de som der delen.
 
Leerdam bedient zijn eigen vraag goed. Dat zijn vooral de groepen moderne burgerij en traditionele burgerij. Onder hen zijn veel oudere bewoners, maar Leerdam weet ook de jongere opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden te binden en aan te trekken uit de omliggende landelijke gemeenten vanwege de stedelijke functies. Leerdam profiteert van de aantrekkelijke binnenstad en de Linge. Maar de waarde van Leerdam ligt deels ook buiten de regio. De voorzieningen worden ook gebruikt door inwoners uit het Rivierengebied zoals Asperen en Acquoy.
 
Kwantitatieve behoefte
Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van ca. 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de Regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regioniveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar.
 
Kwalitatieve behoefte
Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in:
  1. behoud van kwaliteit en uitstraling,
  2. woonlastenbeperking en energie en
  3. comfortverbetering in relatie tot zorg.
Geen van de gebieden gaat 'op slot' maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment. Het stedelijk gebied kent naast lokale vraag een substantiële regionale instroom van de groeigroepen 'opwaarts mobielen' en 'gemaksgeoriënteerden': een grote, groeiende groep, in dorpen en steden, lagere en middelhoge inkomens. Deze mensen trekken richting voorzieningen, werk, bereikbaarheid. Opwaarts mobielen zoeken nieuwe koopwoningen in wat hogere prijsklasse, gemaksgeoriënteerden zoeken vaker een huurwoningen en wonen in bestaande wijken. Er is reden voor grootschalige nieuwbouw en transformatie, met een centrumstedelijk of groenstedelijk karakter.
 
Toetsingskader woningbouwprojecten
Voor woningbouwprojecten is in de visie een toetsingskader opgenomen. Dit toetsingskader bestaat uit de 5/10/50-toets en de 0,7%-toets.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 36 woningen in stedelijk gebied. Voor plannen met een dergelijke omvang is regionale afstemming in principe niet noodzakelijk (minder dan 50 woningen in stedelijk gebied).
 
0,7%-toets
De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar. Die 0,7% past de regio in beginsel toe op alle kernen in de regio. De jaarlijkse planning blijft in de kern Leerdam binnen de 0,7-norm.
 
Conclusie
Met onderhavig plan worden meer woningen gesloopt dan gebouwd. Hierdoor neemt het aantal woningen in het plangebied af. Dit plan hoeft dan ook niet te worden voorgelegd aan de regio, maar kan achteraf worden gemeld in de halfjaarlijkse rapportage. De ontwikkeling past binnen de Regionale woonvisie en staat hiermee de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Leerdam 2020
De raad van de gemeente Leerdam heeft op 11 oktober 2012 de Structuurvisie Leerdam 2020 'Hart voor Kwaliteit aan de Linge' vastgesteld. Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief dat is opgenomen in deze nieuwe structuurvisie borduurt voort op het kader zoals dat in de Structuurvisie Plus 2001 is vastgelegd. Deze ruimtelijke visie staat aan de basis van de ruimtelijke ontwikkelingen van dit moment. In deze nieuwe structuurvisie voor de periode 2012 – 2020 vormt de ruimtelijke visie uit 2001 dus het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking. 
 
De hoofddoelstellingen uit de structuurvisie zijn:
  • Versterken en zichtbaar maken van ruimtelijk raamwerk: lijnen, vlakken, elementen;
  • Versterken relaties stad en buitengebied door nieuwe invulling en vormgeving van stadsranden en overgangszones;
  • Ruimtelijke ontwikkelingen enten op de kwaliteiten en potenties van het ruimtelijk raamwerk;
  • Kwaliteiten van water en ecologie benutten als sturend planelement;
  • Streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik. 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaart van de Structuurvisie Leerdam 2020.
 
Fragment kaart Structuurvisie Leerdam 2020, plangebied binnen de blauwe cirkel
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied aangewezen is als 'Bebouwing' en 'Aanpak overlast grondwater'. Met onderhavig plan worden maatregelen genomen om de overlast van het grondwater aan te pakken.
Met onderhavig plan neemt het aantal vierkante meters verharding in het plangebied af. Daarnaast neemt het aantal groenvoorzieningen toe. Deze maatregelen zorgen dat het hemelwater beter in grond wordt geïnfiltreerd en de overlast van het grondwater wordt aangepakt.
 
De vervangende nieuwbouw in het plangebied zorgt voor een kwaliteitsverbetering van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.
4 Milieu- en omgevingsaspecten
 
4.1 Bedrijven en milieuzonering
Inleiding en uitgangspunten
Milieuzonering heeft betrekking op het ruimtelijk scheiden van milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies zoals woningen. Het plangebied is gelegen in een omgeving waar bedrijven aanwezig zijn. In deze paragraaf wordt omschreven hoe hier in relatie tot de gewenste nieuwbouw mee wordt omgegaan.
 
Toetsingskader
De VNG handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 is de meest gebruikte methode bij milieuzoneringen. In de handreiking worden voor vier verschillende milieuaspecten richtafstanden aanbevolen voor milieubelastende activiteiten (bedrijven) ten opzichte van een rustige woonwijk. De milieubelastende activiteiten zijn gerangschikt op SBI code. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
 
De gegeven richtafstanden kunnen, met uitzondering van de richtafstand voor gevaar, met één stap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, wanneer er sprake is van een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is door de aanwezigheid van andere functies dan wonen, te kenmerken als een gemengd gebied.
 
Wanneer bij de invulling van het plangebied uitgegaan wordt van kleinere afstanden dan de richtafstanden, dan moet worden onderbouwd:
  • waarom er toch sprake kan zijn van een goed woon-en leefklimaat en/of waarom een kleinere afstand kan volstaan;
  • dat er geen extra belemmeringen optreden voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven.
 
Milieuzonering en het plangebied
Milieuzonering gaat veelal uit van een nieuwe situatie. Bij het ontwikkelingsplan "Rozenstraat e.o." is hier eigenlijk geen sprake van. In de huidige situatie zijn er woningen, deze worden gesloopt en worden nieuwe woningen voor in de plaats gebouwd. Wel wordt hiervoor een nieuw ruimtelijke besluit genomen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening kijken we daarom toch naar de afstanden tussen de nieuwe woningen en bedrijven in de omgeving.
Gezien de huidige situatie, waarbij sprake is van een vrij drukke weg (de Tiendweg), gelegen direct ten noorden van het plangebied, en de aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving, waaronder de glasfabriek op relatief korte afstand, kan hier gesproken worden van een gemengd gebied. Daarom mogen de richtafstanden met één stap verlaagd worden, zoals aangegeven in onderstaande tabel.
 
Milieucategorie
Rustige woonwijk
Gemengd gebied
1
10 m
  0 m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering)
 
Bedrijven in de omgeving
Het onderhavige plan behelst de revitalisering van het woongebied rond de Rozenstraat en vervangende nieuwbouw van 36 woningen. Er zijn geen bedrijven aanwezig of gepland binnen het plangebied. In de omgeving van het plangebied is een aantal bedrijven en instellingen gevestigd met bedrijfsactiviteiten uit de categorieën 1, 2 en 4.2 volgens de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering. In onderstaande tekening is de ligging van de bedrijven aangegeven ten opzichte van het plangebied.
 
Ligging van de bedrijven en milieucategorie ten opzichte van het plangebied
Naam
Locatieadres
SBI code
2008
Omschrijving
Milieuzone
Richtafstand gemengd gebied
Afstand tot plangebied
Industrieterrein glasfabriek*
 
Lingedijk 8
231.2
Glasfabriek en aanverwante activiteiten
4.2
200 m
120 m
 
Basisschool El Boukhari
Populierstraat 2
852, 8531
Basisschool
2
10 m
50 m
Zelve Market
Tiendweg 29
471
Supermarkten, warenhuizen
1
0 m
10 m
Hisar V.O.F.
Tiendweg 39 A
561
Restaurants, cafetaria's, snackbars e.d..
1
0 m
< 10 m
Deco Home Van den Berg
Tiendweg 41
47A
Detailhandel voor zover n.e.g.
1
0 m
< 10 m
De Nieuwe Pauw
Tiendweg 69 
561
Restaurants, cafetaria's, snackbars e.d.
1
0 m
140 m
Moskee
Tulpstraat 1
9491
Kerkgebouwen
2
10 m
10 m
Islamitische Stichting Nederland, Anadolu
Boëtiusstraat 18
47
detailhandel
1
0 m
60 meter
*Voor het aspect geluid geldt een afstand van 200 m, voor het aspect stof geldt een afstand van 50 m.
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
 
Consequenties voor de ontwikkeling
Uit bovenstaande volgt dat alleen voor de glasfabriek geldt dat de afstand tot (een deel van) het plangebied kleiner is dan de richtafstand volgens de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Hierbij is het aspect geluid maatgevend. De richtafstand voor het aspect stof is 50 meter. Deze afstand wordt niet overschreden. Voor de overige inrichtingen wordt voldaan aan de richtafstanden in een gemengd gebied.
 
Omdat de milieuzone van de glasfabriek over het plangebied valt, zal moeten worden vastgesteld of er sprake is van de aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om dat te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is gebruik gemaakt van de methode van Miedema. Miedema onderscheid een aantal klassen geluidsniveaus met de aanduiding van het woon- en leefklimaat. In de onderstaande tabel is dit weergegeven.
 
Geluidsklasse
Beoordeling woon- en leefklimaat
<
50 dB
Goed
50-55 dB
Redelijk
55-60 dB
Matig
60-65
Tamelijk slecht
65-70 dB
Slecht
>70 dB
Zeer slecht
Lden classificering milieukwaliteit conform methode Miedema
 
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting bij alle woningen niet hoger is dan 55 dB(A). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er bij alle woningen in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dus van een goede ruimtelijke ordening.
 
Bedrijven mogelijk binnen vigerend bestemmingsplan Leerdam - West
Eveneens van belang is om na te gaan welke activiteiten worden toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. Dit om na te gaan of het binnen het bestemmingplan toegestaan is om bedrijven te vestigen met een hogere milieucategorie dan nu aanwezig zijn. Naast de in de tabel opgenomen bedrijven en instellingen worden er in het bestemmingsplan Leerdam West, ten zuiden van de Tiendweg, geen percelen aangemerkt met een functie anders dan wonen of groen. In onderstaande tabel wordt opgegeven welke functies zijn toegestaan op de in de tabel genoemde percelen.
 
Naam
Locatieadres
Bestemming
Islamitische stichting Anadolu Leerdam (winkel)
Boetiusstraat 18 
Detailhandel
OI-Manufacturing Netherlands BV
Lingedijk 8
Bedrijf maximaal milieucategorie 4.2
Basisschool El Boukhari
Populierstraat 2
Maatschappelijk
Zelve Market
Tiendweg 29
Detailhandel
Hisar V.O.F.
Tiendweg 39 A
Detailhandel
Deco Home Van den Berg
Tiendweg 41
Detailhandel
De Nieuwe Pauw
Tiendweg 69 
Horeca
Basisschool het Mozaiek
Tiendweg 90
Maatschappelijk
Rouwcentrum Rehoboth
Tiendweg 118
Maatschappelijk
Moskee
Tulpstraat 1 
Maatschappelijk
Bedrijven opgenomen in het vigerende bestemmingsplan Leerdam West   
Gezien de bestemmingen, toegestaan in de vigerende bestemmingsplannen ‘Leerdam West’ en ‘De Glasfabriek’ en de afstanden tot het plangebied, zijn er in de toekomst geen situaties te verwachten waarbij een knelpunt kan ontstaan.
  
4.2 Luchtkwaliteit
Wettelijk kader
De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging tot doel hebben. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm).
 
Indien het uitoefenen van bevoegdheden (zoals het vaststellen van bestemmingsplannen en het nemen van projectbesluiten) gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gronden (artikel 5.16 Wm):   
  • er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden;  
  • een besluit (per saldo) leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof;   
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Er is gekeken of de bijdrage van de voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hiervoor wordt een grens gehanteerd van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Dit betekent dat voor NO2 en PM10 projectbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 µg/m³.
 
Voor een aantal functies geeft de ministeriële regeling “niet in betekenende mate bijdragen" hier een cijfermatige invulling aan. Volgens deze regeling kan de bijdrage van minder dan 1500 woningen bij 1 ontsluitingsweg als NIBM aangemerkt worden. De ontwikkeling betreft de realisatie van 36 woningen. Deze ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM, omdat het minder dan 1500 woningen betreft. Toetsen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer is daarom niet noodzakelijk.
 
Vanuit de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het voorliggende bestemmingsplan.
 
Goede ruimtelijke ordening
In het kader van een goede ruimtelijke ordening (artikel 3:1 Wet ruimtelijke ordening) dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen gemotiveerd te worden op welke wijze rekening is gehouden met de luchtkwaliteit. Voor het voorliggende plan is uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Om deze inzichtelijk te maken, is de Monitoringstool 2017 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geraadpleegd (www.nsl-monitoring.nl). De luchtkwaliteit is voor de jaren 2016, 2020 en 2030 in beeld gebracht.
 
PM10 kent twee grenswaarden, te weten een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³ en een toegestaan aantal overschrijdingen van de etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m³. Bij een concentratie voor PM10 die lager is dan 32,3 μ (Conform de hiervoor geldende formules uit bijlage 1 en 2 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007). De concentratie is dan eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 40 μ2 geldt een toegestaan aantal overschrijdingen voor de uurgemiddelde grenswaarde en een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³. Zodra de jaargemiddelde grenswaarde wordt nageleefd, voldoet normaal gesproken ook het aantal uurgemiddelde overschrijdingen. Voor PM2,5 geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram per m³.
 
In de monitoringstool zijn de concentraties op de Rozen-, Tulp- en Dahliastraat zelf niet in beeld gebracht. Voor de beoordeling is daarom gebruik gemaakt van de concentraties langs de dichtstbijzijnde ontsluitingswegen in de omgeving waarvoor wel concentraties zijn gegeven: Tiendweg en Laantje van Van Ieperen.
 
Uit de monitoringsresultaten blijkt dat op de rekenpunten langs de genoemde wegen in de omgeving van het plangebied in 2016 geen overschrijdingen hebben plaatsgevonden voor de grenswaarden van NO2, PM10 en PM2,5. De concentraties liggen tussen 18,9 en 19,5 µg/m³ voor NO2, tussen 18,6 en 18,8 µg/m³ voor PM10 en op 11,7 µg/m³ voor PM2,5. De prognose is dat de jaargemiddelde concentraties PM10 en PM2,5 in 2020 ter plaatse zijn toegenomen met circa 1 µg/m³ en in 2030 weer zijn afgenomen. De concentratie NO2 neemt in de jaren na 2016 verder af.
 
In de onderstaande kaartjes is de luchtkwaliteit in de buurt van het plangebied weergegeven zoals die wordt gegeven door de NSL-monitor. Achtereenvolgens worden de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven.
 
Concentratie NO2 ter plaatse van het plangebied
Concentratie PM10 ter plaatse van het plangebied
Concentratie PM2,5 ter plaatse van het plangebied
   
De jaargemiddelde concentraties voor PM10 en NO2 liggen ruimschoots onder de 32,3 respectievelijk 40 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 ligt ruimschoots onder de 25 µg/m³. Het is aannemelijk dat tot en met 2030 de concentraties PM10, PM2,5 en NO2 ruim aan de grenswaarden zullen voldoen.
 
Conclusie
De Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet ruimschoots aan de luchtkwaliteitsnormen en zal door het project niet verslechteren. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.3 Geluid
Wettelijk kader
In het kader van het vaststellen van bestemmingsplannen is het noodzakelijk een geluidonderzoek uit te voeren indien daarin geluidgevoelige gebouwen zijn geprojecteerd. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald binnen welke zones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen onderzoek moet plaatsvinden. De Wgh is alleen van toepassing binnen deze geluidzones.
 
Daarnaast kan het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ook noodzakelijk zijn om de geluidbelasting te berekenen van bijvoorbeeld wegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 kilometer per uur.
 
De gemeente Leerdam heeft een “Beleid hogere waarden Wgh en 30 kilometer per uur wegen”. Het gemeentelijk beleid is van toepassing voor nieuwbouw van woningen zoals in dit plan wordt voorgestaan. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn getoetst aan dit beleid.
 
Het uitgevoerde akoestische onderzoek is als bijlage bijgevoegd (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Indicatief akoestisch onderzoek Woningbouwproject Kleurrijk Wonen Tulpstraat/Rozenstraat Leerdam, 13 juli 2018), zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. In dit onderzoek wordt uitgebreider ingegaan op het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid.
 
Verkeerslawaai
De OZHZ heeft de geluidsimmissie van de omliggende gezoneerde wegen en 30 km/h wegen berekend. Hieruit blijkt dat bij geen van de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) zal worden overschreden. Het is daarom niet nodig een hogere waarde vast te stellen voor woningen in het plangebied ten gevolge van verkeerslawaai.
 
Industrielawaai
De OZHZ heeft de geluidsimmissie van de glasfabriek bij de nieuwe woningen berekend. Hieruit blijkt dat een deel van de woningen een hogere geluidsbelasting heeft dan 50 dB(A). Bij geen van de woningen wordt de uiterste grenswaarde van 55 dB(A) overschreden. Gezien het feit dat verdergaande maatregelen stuiten op overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke of verkeerskundige aard en wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid, wordt het bevoegd gezag verzocht een hogere grenswaarde te verlenen van 55 dB.
 
Conclusie
Na het verlenen van een hogere waarde voor de woningen vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van de woningen. Op basis van het aspect geluid is de planontwikkeling mogelijk.
4.4 Bodem
Wettelijk kader
Bij een nieuwe ontwikkeling zijn twee kaders van belang als het gaat om de bodemkwaliteit: het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Voor het bestemmingsplan is het van belang om na te gaan of de chemische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de toekomstige gebruiksfuncties.
 
In de Wro is geen werkwijze vastgelegd hoe om te gaan met een geval van  bodemverontreiniging bij een bestemmingsplan. Slechts in een beperkt aantal gevallen is deze, vanwege de hoge kosten, beperkend voor de ontwikkeling. Het gaat dan vooral om grote mobiele verontreinigingen in het grondwater (VOCl, minerale olie e.d.).
Het daadwerkelijk uitvoeren van een bodemonderzoek is aan de orde in de fase voorafgaande aan de aanvraag van een Omgevingsvergunning bouwen.
 
Plangebied
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op het herinrichten van het plangebied met vervangende nieuwbouw. De huidige bestemming ‘wonen’ blijft hetzelfde. Er zijn bij OZHZ geen bodemonderzoeken bekend, uitgevoerd binnen het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn onderzoeken bekend, uitgevoerd in de jaren 90. Deze zijn niet meer bruikbaar.
Ook liggen er binnen het plangebied geen locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Wel zijn er binnen het plangebied een aantal schuurtjes aanwezig, gelegen in de achtertuinen van de bestaande wonen, waar mogelijk asbest toegepast is als dakbedekking (zie onderstaande figuur). Een mogelijk gevolg hiervan kan zijn dat de bodem rondom de huisjes verontreinigd is met asbestvezels. Bij het uit te voeren bodemonderzoek, ten behoeve van de omgevingsvergunning, dient hier aandacht aan te worden besteed.
 
Resultaten inventarisatie asbest daken
De verwachting is dat er geen sprake is van de aanwezigheid van een grote mobiele verontreiniging in het grondwater (VOCl, minerale olie e.d.). Daarom is het niet aannemelijk dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging beperkend is voor de voorgenomen ontwikkeling. De bodem is daarom geschikt voor de beoogde functie.
4.5 Externe veiligheid
Wettelijk kader en beleid
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op de risico’s van het vervoer en gebruik van gevaarlijke stoffen. Doel is hierin voor burgers een acceptabel veiligheidsniveau te waarborgen. Het risico wordt hierbij bepaald door de kans op, en het effect van, een incident met gevaarlijke stoffen. Hierbij staan een tweetal begrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
 
Plaatsgebonden risico
Het PR is de kans per jaar dat een persoon die zich onbeschermd in de buurt van een risicobron bevindt, overlijdt ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen van die risicobron. Hiervoor bestaan grens- en richtwaarden waarbij de grenswaarde een harde norm is. De grenswaarde is een lijn van punten op afstand van de risicobron waar de kans op overlijden 1 op de miljoen per jaar (10-6/j) is. Binnen die PR = 10-6/j - contour mogen geen kwetsbare objecten worden bestemd, en beperkt kwetsbare objecten alleen als dat goed kan worden gemotiveerd. Wat onder beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten wordt verstaan is gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
 
Groepsrisico
Het GR is de opgetelde kans dat een groep (10, 100, enz.) personen overlijdt door een incident met gevaarlijke stoffen van een risicobron. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied. Het invloedsgebied is gedefinieerd als het gebied dat ligt tussen de risicobron en de grens waar sterftekans 1% is. Voor het GR zijn geen grens- of richtwaarden vastgesteld. Het is aan het bevoegd gezag om een (toename van) het groepsrisico te verantwoorden. Wel is een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld. Een verantwoording is vooral van belang indien het GR in de buurt of boven deze oriëntatiewaarde uitkomt.
 
Het plangebied
Om de risico’s ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de provinciale risicokaart. Hieruit blijkt het volgende:
  • In de omgeving van het plangebied is één risicovolle inrichting aanwezig. Het betreft de glasfabriek. Het invloedsgebied van deze inrichting reikt echter niet tot aan het plangebied;
  • In of nabij het plangebied zijn geen routes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water plaatsvindt. De afstand tot de dichtstbijzijnde routes is zodanig groot dat deze hun invloed niet in het plangebied doen gelden;
  • In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig die hun invloed in het plangebied doen gelden.
Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.  
4.6 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura2000-gebieden. Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. 
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.          
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.  
 
Planspecifiek
Voor de sloop van de woningen in het plangebied is een quickscan flora- en fauna onderzoek uitgevoerd (Bureau Waardenburg bv, Notitie quick scan Siemenstraat en omgeving te Leerdam, 19 maart 2013), zie bijlagen bij toelichting bijlage 2 sub a.
 
Gebiedsbescherming
In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Tussen de huizen en straten zijn alleen tuinen en plantsoenen aanwezig. Voor strikt beschermde soorten zijn geen groeiplaatsen aanwezig. Op muren zijn geen beschermde muurplanten aangetroffen. Op grond hiervan is beoordeeld dat het plangebied geen betekenis heeft voor beschermde soorten planten.
 
Soortenbescherming
In het plangebied komen geen sloten of watergangen voor. In de tuintjes aan de achterzijde van de woningen zouden vijvertjes kunnen voorkomen. Dergelijke vijvers kunnen leefgebied vormen voor algemeen voorkomende soorten amfibieën. In het plangebied zijn diverse vogelsoorten en vleermuizen aanwezig. Als gevolg van de sloop/herstructurering kunnen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen verloren gaan.
 
Op 14 oktober 2013 is nader onderzoek verricht op het voorkomen van vogels een jaarrond beschermd nest en op het voorkomen van vleermuizen (Bureau Waardenburg bv, Notitie aanvullend onderzoek Siemenstraat en omgeving te Leerdam, 14 oktober 2013), zie bijlagen bij toelichting bijlage 2 sub b. Geconcludeerd wordt dat bij de sloop van de woningen in het plangebied twee zomerverblijfplaatsen (van gewone dwergvleermuis en van laatvlieger) en drie paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren gaan. Hierbij worden verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet overtreden (artikel 11 vernietiging verblijfplaatsen). Voor de sloop en uitvoering van de ontwikkeling gelden de volgende randvoorwaarden:
  • Vraag een ontheffing aan voor het vernietigen van drie paarverblijven en een zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis. Vraag de ontheffing eveneens aan voor een zomerverblijfplaats van laatvlieger. Stel daartoe een activiteitenplan op met bijbehorend werkprotocol.
  • Breng voor ieder paarverblijf dat verloren gaat vier nieuwe kasten aan, een half jaar voordat de sloop begint. Dit is conform de Soortenstandaard gewone dwergvleermuis (Ministerie van EL&I, 2011) Voor de laatvlieger moet gedacht worden aan het plaatsen van vier vleermuiskasten voordat de sloop begint en het integreren van vier verblijfplaatsen (inbouwkasten) in de nieuwbouw.
  • Monitor de voorzieningen. Hiermee kan inzicht worden verkregen in het gebruik van de kasten door vleermuizen. Monitor de voorzieningen door visuele inspecties of het vaststellen van baltsactiviteit (paarverblijfplaatsen) in de daarvoor bestemde periode (augustus-september). De duur en frequentie van de monitoring worden meestal in de ontheffing bepaald.
  • Door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen wordt verstoring van nesten van algemeen voorkomende vogels voorkomen. Het rooien van beplanting binnen het broedseizoen is mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van vogels worden verstoord. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Flora- en faunawet geen standaard periode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Het risico op de aanwezigheid van broedende vogels is het hoogst in de periode maart-augustus.
4.7 Programma aanpak stikstof
Op 1 juli 2015 is het PAS in werking getreden. PAS is gekoppeld aan de zogenoemde Natura-2000-gebieden. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. Het Programma Aanpak Stikstof  vindt zijn wettelijke basis in de Wet natuurbescherming. Deze wet bepaalt dat nieuwe economische activiteiten (of uitbreiding van bestaande) in en rond Natura 2000-gebieden moeten worden getoetst op hun effect op de natuur. PAS richt zich op de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden.
 
Het plangebied ligt op korte afstand van het Natura-2000 gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid ligt (500 – 1000 m). De OZHZ heeft een indicatieve berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van dit plan verwaarloosbaar klein is en geen invloed heeft op de hoeveelheid depositie van NOx in dit Natura-2000 gebied. De stikstofdepositie ten gevolge van dit plan in het Natura-2000 gebied Lingedijk-Diefdijk-zuid heeft geen gevolgen voor dit plan.
4.8 Archeologie
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
 
Archeologiebeleid Leerdam
Op 28 januari 2010 is de Beleidsnota Archeologie vastgesteld door de raad van de gemeente Leerdam. De beleidsnota verwoordt het archeologiebeleid van de gemeenten Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam, Liesveld, Nieuw-Lekkerland en Zederik.
 
Het beleid is gebaseerd op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. De kaart geeft aan waar bepaalde archeologische waarden zich bevinden of te verwachten zijn. Hoe hoger de verwachting van een gebied, hoe groter de kans dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.
  
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Leerdam, plangebied aangegeven met gele cirkel
 
Uit de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart blijkt dat het plangebied in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting ligt. In een dergelijk gebied geldt een plicht om archeologisch onderzoek uit te voeren bij werkzaamheden die groter of gelijk zijn aan 500 m² en dieper dan 30 centimeter gaan. Omdat de oppervlakte van het plangebied groter is dan 500 m² is archeologisch onderzoek uitgevoerd (Onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv, Leerdam Plangebied Siemensstraat en Lingeplein - Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), Rapport V-14.0056,10 april 2014), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3.
 
Op grond van het onderzoek is vast komen te staan dat geen grootschalige verstoringen hebben plaatsgevonden in het plangebied. Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het grootste deel van het plangebied vanaf een diepte van 200 à 310 cm –mv restgeulafzettingen van de stroomgordel van Gorkum-­‐Arkel voorkomen. Het   zandige geullichaam van deze stroomgordel bevindt zich vanaf 290 cm –mv en dieper. In het zuidelijke deel zijn siltigeoeverwalafzettingen aangetroffen, terwijl deze in het noordoostelijke deel niet zijn aangetroffen.
 
Om deze reden wordt geadviseerd om aanvullend verkennend booronderzoek uit te voeren indien de bodemingrepen dieper zullen reiken dan 2 m. Onderhavig  plan betreft geen bodemingrepen van dieper dan 2 m. Nader archeologisch onderzoek is dus niet noodzakelijk.
 
4.9 Waterhuishouding
Watertoets
Vanaf 1 november 2003 is de watertoets wettelijk van toepassing, een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. De watertoets heeft als doel te voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder verantwoordelijkheid van de gemeente Leerdam.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
 
Waterschapsbeleid
De gemeente en het Waterschap Rivierenland hebben het stedelijk waterplan Leerdam vastgesteld (mei 2008), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.
  
Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. 
 
Gemeentelijk beleid
De gemeente Leerdam heeft in nauwe samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Gemeentelijk Waterplan Leerdam, Glashelder Water (2007) opgesteld. De aanleiding voor het waterplan zijn de knelpunten, ontwikkelingen, maar ook kansen op watergebied, waar gemeenten in de 21ste eeuw mee geconfronteerd worden. Zo is er bijvoorbeeld periodiek sprake van grondwateroverlast, treden waterkwaliteitsproblemen op bij riooloverstortingen en wordt de kwelafhankelijke natuur bedreigt door verdroging.
 
Met het opstellen van het waterplan wordt de gezamenlijke focus aangebracht. Deze heeft een inhoudelijke dimensie - de samenhang - en een procesmatige dimensie - de samenwerking. Door zowel de samenhang als de samenwerking te versterken, kunnen ambities op het gebied van integraal waterbeheer en de kwaliteit van de leefomgeving worden vergroot.
 
De doelstelling van het waterplan is het realiseren van een gezond en veerkrachtig watersysteem, gebaseerd op een gezamenlijke visie van de gemeente en het waterschap op de inrichting, het gebruik en het beheer en onderhoud van de waterhuishouding.
 
Planspecifiek
Verhard oppervlak
In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Er worden 58 woningen gesloopt waarvoor 36 vervangende nieuwbouw woningen worden teruggebouwd. In navolgende tabel is de verhardingsbalans uiteengezet:
 
 huidige situatienieuwe situatie
uitgeefbaar65904924
   tuin35122414,3
   achterpad408210
   bebouwd woning22642065,7
   bebouwd berging406234
verhard openbaar28533536
groen openbaar0982
totaal94439442
   
totaal groen35123396,3
totaal verhard59316045,7
  
Uit de bovenstaande tabel komt naar voren dat er in de nieuwe situatie sprake is van een toename van 114,7 m² verharding. Volgens de Keur van het waterschap dient een toevoeging aan verharding te worden gecompenseerd. Er is immers geen sprake van een op zichzelf staand geheel van 500 m², maar maakt de ontwikkeling onderdeel uit van een groter (planologisch) geheel.
 
Daarnaast is onderhavig plangebied onderdeel van de overkoepelende wijk "Achter de Pijp". Deze ontwikkeling wordt in twee fases gerealiseerd, middels voorliggend bestemmingsplan voor de Rozen-, Tulp- en Dahliastraat en een bestemmingsplan voor het Lingeplein. Samen vormen deze twee bestemmingsplannen één stedenbouwkundig geheel. Bij het ontwerp van dit geheel is de verhardingsbalans (evenals de riolering, zie hierna) berekend aan de hand van dit geheel. In voorliggend bestemmingsplan is de verhardingsbalans zoals hierboven uiteen is gezet niet geheel sluitend. Dit tekort van 114,7 m² wordt in het bestemmingsplan Lingeplein ruimschoots gecompenseerd middels een omvangrijke groenstrook in het zuidelijke deel van de gehele nieuwe wijk "Achter de Pijp". Aangenomen wordt dat deze integrale berekening van de verhardingsbalans voor de wijk "Achter de Pijp", net als het rioleringsplan, haar goedkeuring verleend. De voorbereidende werkzaamheden voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan Lingeplein is daarnaast reeds in gang gezet en zal naar verwachting eveneens in 2018 in procedure gaan waarmee de compensatie gegarandeerd wordt.
  
Afvoer hemelwater - riolering
Onderhavig plangebied is onderdeel van wijk "Achter de Pijp". De gemeente Leerdam heeft voor deze wijk een rioolontwerp opgesteld om de riolering te vervangen en de riolering in deze wijk te verbeteren. Het hemelwater afkomstig uit de bestaande wijk ‘Achter de Pijp’ wordt afgekoppeld van het vuilwaterriool en wordt afgevoerd naar twee verschillende watergangen. Het afkoppelplan maakt onderdeel uit van de stedelijke ontwikkeling van Leerdam-West en is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling en realisatie van plangebied Broekgraaf en het plan Grote Wielsloot. Waterschap Rivierenland heeft dit rioolontwerp in mei 2017 goedgekeurd en besloten de gevraagde vergunning, onder voorwaarden genoemd in de deel II van de watervergunning, te verlenen.
   
Watergangen
De volgende afbeelding toont een fragment van de 'Legger wateren' van het Waterschap Rivierenland. 
Fragment legger wateren Waterschap Rivierenland, plan gebied aangegeven met rode cirkel
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen watergangen aanwezig zijn. In paragraaf 2.2 is aangegeven hoe wordt omgegaan met mogelijke wateroverlast in de buurt. Daarmee is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
4.10 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit uitwerkingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk 36 vervangende nieuwbouw woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:    
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, geluid, en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.        
 
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerp uitwerkingsplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het uitwerkingsplan.
 
Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het voorliggende hoofdstuk 4 voorziet hierin.
4.11 Verkeer en parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is de Beleidsnota parkeernormen Leerdam van toepassing. Op basis van de maximum norm voor woningen tot € 220.000 in de 'rest bebouwde kom' die in deze nota worden gegeven wordt voor de nieuwbouw uitgegaan van 1,7 parkeerplekken per woning. Voor de 36 woningen die mogelijk gemaakt worden worden hierom 62 parkeerplaatsen gerealiseerd.
 
Gezien het plangebied binnen een 30 km zone valt zal de inrichting van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte volgens de normen van Duurzaam Veilig Verkeer geschiedden, volgens de richtlijnen van de ASVV 2012. Ten opzichte van de bestaande bebouwing vindt er een verdunning plaats van het aantal woningen. Deze verdunning komt deels ten goede aan grotere kavels en deels aan meer ruimte voor parkeren. Met een combinatie van een parkeerkoffer tussen de nieuwbouw en haaksparkeerplekken langs de straten wordt op efficiënte wijze veel parkeerruimte toegevoegd in de buurt.
 
De parkeerplekken zijn evenredig verdeeld over het plangebied en zodanig gepositioneerd dat de toekomstige bewoners er gemakkelijk over kunnen beschikken voor het dagelijks gebruik.
4.12 Kabels en leidingen
In het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen waar rekening mee dient te worden gehouden. Een inpassing hiervan heeft dan ook niet plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplan vormen de (niet planologisch relevante) aanwezige kabels en leidingen geen belemmering.
5 Juridische planbeschrijving
 
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
 
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet.
 
De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
5.2.1 Inleidende regels
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
 
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
 
5.2.2 Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.
 
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.
 
Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting:
 
'Groen', deze gronden zijn onder andere bestemd ten behoeve van beplanting, plantsoenen en bermen;
 
'Tuin', deze gronden zijn onder andere bestemd ten behoeve van tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
 
'Wonen', met bouwvlak en maatvoering ter plaatse van de te realiseren woningen;
 
'Verkeer - Verblijfsgebied', deze gronden zijn onder andere bestemd ten behoeve van wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie;
 
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden;
 
Gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie', deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder.
 
5.2.3 Algemene regels
Antidubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
 
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen.
 
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.
 
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan.
 
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om – onder voorwaarden – de in het bestemmingsplan opgenomen (dubbel)bestemmingen geheel of gedeeltelijk te wijzigen.
 
Overige regels
In dit artikel is geregeld dat waar in het bestemmingsplan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen, zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
 
5.2.4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.
 
Slotregel
Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
6.1.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de ter visielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
6.1.2 Verslag artikel 3.1.1. Bro overleg en inspraak
In het kader van het wettelijk vooroverleg artikel 3.1.1. Bro heeft Waterschap Rivierenland gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft geadviseerd nadere aandacht te besteden aan de aanpak van mogelijke grondwateroverlast, de verhardingsbalans in de huidige en toekomstige situatie en de afkoppeling van het plangebied op de riolering. Naar aanleiding van deze reactie is toelichting paragraaf 4.9 uitgebreid op deze onderwerpen en in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt.
 
6.1.3 Zienswijzen
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen (artikel 3.12 lid 5 Wabo) op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
6.2 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De gemeente Leerdam heeft in overleg met woningcorporatie KleurrijkWonen een Wijkontwikkelingsplan opgesteld voor de wijk Leerdam-West waar dit plan een onderdeel van is. In het Wijkontwikkelingsplan (Wop) wordt geconcludeerd dat er in de wijk een gedifferentieerd woningaanbod moet worden gerealiseerd met meer licht en ruimte in de openbare ruimte en een grotere leefbaarheid. Naar aanleiding van het Wop hebben gemeente Leerdam en KleurrijkWonen een masterplan opgesteld waarin wordt aangegeven hoe de wijk fasegewijs wordt geherstructureerd. Dit plan vormt de tweede fase van het masterplan. Per fase worden tussen gemeente en corporatie afspraken gemaakt die worden vastgelegd in een exploitatie/samenwerkingsovereenkomst. Ook voor dit plan is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de gewenste eindsituatie is, taken en verantwoordelijkheden en kosten en bijdragen. Met het sluiten van deze overeenkomst wordt de financieel economische uitvoerbaarheid geborgd.